Wet kinderopvang
 

(Wet van 9 juli 2004 tot regeling met betrekking

tot tegemoetkomingen in de kosten van

kinderopvang en waarborging van de kwaliteit

van kinderopvang)

 

Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen

 

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan

onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

b. kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en

opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het

voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;

c. gastouderopvang: kinderopvang in een gezinssituatie door een ander

dan degene die als ouder op grond van artikel 5 aanspraak kan maken op

een tegemoetkoming of diens partner, bestaande in de gelijktijdige

opvang van ten hoogste vier kinderen in de woning waar de ouder of de

gastouder zijn hoofdverblijf heeft;

d. kindercentrum: een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt,

anders dan gastouderopvang;

e. gastouderbureau: een organisatie die gastouderopvang tot stand

brengt en begeleidt;

f. gastouder: de natuurlijke persoon die gastouderopvang biedt;

g. beroepskracht: degene die werkzaam is bij een kindercentrum en is

belast met de verzorging en opvoeding van kinderen;

h. beroepskracht in opleiding: degene die de beroepsbegeleidende

leerweg volgt, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, en ten

behoeve van beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging en

opvoeding van kinderen bij een kindercentrum;

i. ouder:

1°. een persoon die een huishouding voert waartoe het kind behoort,

op wie de kinderopvang betrekking heeft, welk kind in belangrijke mate

door hem wordt onderhouden in de zin van artikel 2 van de Uitvoeringsregeling

inkomstenbelasting 2001, en op hetzelfde adres als het kind staat

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens,

dan wel

2°. een persoon die een huishouding voert waartoe het kind behoort,

op wie de kinderopvang betrekking heeft, waarvoor die persoon een

pleegvergoeding in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening

ontvangt;

j. tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang

door het Rijk, de gemeente of het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen;

k. tegemoetkomingsjaar: het kalenderjaar waarover aanspraak op een

tegemoetkoming van het Rijk, de gemeente of het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen bestaat;

l. toetsingsinkomen: het inkomen, bedoeld in artikel 8;

m. houder: degene die een kindercentrum of een gastouderbureau

exploiteert;

n. GGD: een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 5,

eerste lid, van de Wet collectieve preventie volksgezondheid;

o. oudercommissie: de commissie, bedoeld in artikel 58;

p. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet

structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

q. sociaal-fiscaalnummer: het nummer, bedoeld in artikel 2, derde lid,

onder j, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

r. de inspecteur: de functionaris van de rijksbelastingdienst die als

zodanig door Onze Minister van Financiėn bij ministeriėle regeling is

aangewezen;

s. de ontvanger: de functionaris van de rijksbelastingdienst die als

zodanig door Onze Minister van Financiėn bij ministeriėle regeling is

aangewezen;

t. bestuurlijke boete: de bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke

verplichting tot betaling van een geldsom, die is gericht op

bestraffing van de overtreder;

u. lidstaat: een Staat die lid is van de Europese Unie of een andere

Staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de

Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

2. Tot kinderopvang worden niet gerekend:

a. het toezichthouden op schoolgaande kinderen dat zich beperkt tot

het toezicht tijdens de middagpauze;

b. verzorging en opvoeding in een peuterspeelzaal, waaronder wordt

verstaan: een voorziening waarin uitsluitend kinderen vanaf de leeftijd van

twee jaar tot het tijdstip waarop zij kunnen deelnemen aan het basisonderwijs,

verblijven in een speelgroep;

c. verzorging en opvoeding die plaatsvindt in het kader van de Wet op

de jeugdhulpverlening;

d. verzorging en opvoeding van kinderen, anders dan gastouderopvang,

die geschiedt op een plaats waar het kind zijn hoofdverblijf heeft.

3. De in het eerste lid, onderdeel i, opgenomen voorwaarde van

inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

geldt niet gedurende de periode, waarin het kind tegelijkertijd tot twee

huishoudens behoort en op het adres van een van die huishoudens staat

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Voor de toepassing van de eerste volzin behoort een kind tegelijkertijd tot

twee huishoudens, indien het kind doorgaans drie dagen per week van

het ene huishouden deel uitmaakt en voor de overige tijd van het andere

huishouden.

 

Artikel 2

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan

onder partner:

a. degene die partner van de ouder is voor de toepassing van de Wet

inkomstenbelasting 2001;

b. degene die geen partner is van de ouder voor de toepassing van de

Wet inkomstenbelasting 2001, maar op grond van artikel 1.2 van die wet

samen met de ouder de keuze voor kwalificatie als partner kan maken.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onder b, wordt in afwijking van

artikel 1.2, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, gekwalificeerd

als partner:

a. de bloed- of aanverwant in de eerste graad van de opgaande lijn van

de ouder, ook al heeft de ouder bij de aanvang van het

tegemoetkomingsjaar de leeftijd van 27 jaar nog niet bereikt;

b. de persoon die geen inwoner is van Nederland en niet kiest voor

behandeling als binnenlandse belastingplichtige.

3. Van het voeren van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in

artikel 1.2, eerste lid, onder b, 1°, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is

in ieder geval sprake, indien de ouder en een derde hun hoofdverblijf in

dezelfde woning hebben en

a. zij in een aan het tegemoetkomingsjaar voorafgaand jaar elkaars

partners waren,

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden

van een kind van de een door de ander, of

c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de

huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract.

4. Indien op grond van het eerste lid, onder b, meer personen in

aanmerking komen om samen met de ouder de keuze voor kwalificatie als

partner te maken, wijst de ouder een van deze personen aan als partner

voor de toepassing van deze wet.

5. De aanwijzing, bedoeld in het vierde lid, wordt gedaan bij de

aanvraag tot verlening of vaststelling van de tegemoetkoming van het

Rijk.

 

Artikel 3

1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende

bepalingen wordt met de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

gelijkgesteld een daarmee naar aard en strekking overeenkomende

administratie buiten Nederland.

2. Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld voor de

situatie dat een persoon niet in Nederland woont en niet is ingeschreven

in een naar aard en strekking met de gemeentelijke basisadministratie

persoonsgegevens overeenkomende administratie buiten Nederland.

3. Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld voor de

situaties dat een persoon niet kan worden ingeschreven in de gemeentelijke

basisadministratie persoonsgegevens.

 

Artikel 4

Een minderjarige is bekwaam de rechtshandelingen te verrichten die

noodzakelijk zijn om toekenning van een tegemoetkoming op grond van

deze wet te verkrijgen. Hij is voorts bekwaam de rechtshandelingen te

verrichten die noodzakelijk zijn met betrekking tot de uitoefening,

onderscheidenlijk de nakoming van de voor hem uit de toekenning van

tegemoetkomingen voortvloeiende rechten en verplichtingen.

 

 

Hoofdstuk 2. Tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang

 

Paragraaf 1. Aanspraken op een tegemoetkoming

Artikel 5

1. Een ouder heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem

of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens het Rijk, jegens

de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

indien het betreft kinderopvang in een geregistreerd

kindercentrum of gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van

een geregistreerd gastouderbureau.

2. Geen aanspraak op een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste

lid, heeft een ouder die als vreemdeling niet rechtmatig verblijf houdt in

de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet

2000. In het geval de partner van een ouder een vreemdeling is als

bedoeld in de eerste volzin heeft een ouder eveneens geen aanspraak op

een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid.

3. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van de ouder of de

partner die als vreemdeling, daartoe gerechtigd, in Nederland arbeid

verricht, dan wel heeft verricht of na rechtmatig verblijf te hebben

gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de

Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf heeft als

bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.

4. De partner van de ouder die voor een tegemoetkomingsjaar een

aanvraag doet als bedoeld in artikel 9 heeft voor de periode van partnerschap

met deze ouder in dat jaar geen aanspraak op een tegemoetkoming.

 

Paragraaf 2. Tegemoetkoming van het Rijk

Artikel 6

1. Een ouder heeft voor een tegemoetkomingsjaar aanspraak op een

tegemoetkoming van het Rijk, indien de ouder in dat jaar:

a. tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning

in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt genoten,

b. zonder enige vergoeding arbeid verricht in de onderneming van de

partner in de zin van artikel 3.78 van de Wet inkomstenbelasting 2001,

c. algemene bijstand of een uitkering ontvangt op grond van de Wet

werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk

arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening

oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen of de Algemene

nabestaandenwet, en gebruik maakt van een voorziening, gericht op

arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wet

werk en bijstand, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening

oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze

werknemers en artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening

oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen, die

de noodzaak tot kinderopvang met zich brengt,

d. een uitkering ontvangt op grond van de Wet inkomensvoorziening

kunstenaars,

e. de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, scholing of een

opleiding volgt en met toepassing van artikel 16 of artikel 18, eerste en

vierde lid, van de Wet werk en bijstand algemene bijstand ontvangt of kan

ontvangen,

f. als niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekende is geregistreerd bij de

Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en gebruik maakt

van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel

7, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand,

g. nieuwkomer is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet

inburgering nieuwkomers, en een inburgeringsprogramma als bedoeld in

artikel 6, eerste lid, van die wet volgt,

h. recht heeft op of een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk IIA

of IIB van de Werkloosheidswet, en blijkens de bijlage of het plan, bedoeld

in artikel 29, derde lid, van die wet, deelneemt aan een traject gericht op

het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces,

i. arbeidsgehandicapte als bedoeld in de Wet op de (re)integratie

arbeidsgehandicapten is, ten behoeve van wie het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen werkzaamheden, gericht op de bevordering

van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel 10, derde

lid, van die wet laat verrichten of aan wie, blijkens het plan, bedoeld in

artikel 13, eerste lid, van die wet, een voorziening als bedoeld in artikel 22,

eerste tot en met vierde lid, van die wet is toegekend, of die werkzaamheden

op een proefplaats verricht als bedoeld in artikel 23, eerste lid,

onder a, van die wet,

j. is ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in

paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en

schoolkosten dan wel als bedoeld in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van

de Wet studiefinanciering 2000,

k. behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen

categorie personen met een lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of

psychische beperking en voor wie bij besluit als bedoeld in artikel 23 is

vastgesteld dat een of meer van deze beperkingen kinderopvang

noodzakelijk maken, of

l. een kind heeft ten aanzien van wie, bij besluit als bedoeld in artikel

23, is vastgesteld dat kinderopvang in het belang van een goede en

gezonde ontwikkeling van dat kind noodzakelijk is.

2. Een ouder die niet in Nederland woont, heeft slechts aanspraak op

een tegemoetkoming als hij in een lidstaat woont en, daartoe gerechtigd,

in Nederland arbeid verricht dan wel als hij een uitkering ontvangt als

bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, d, e, h of i.

3. Een ouder met een partner heeft slechts aanspraak, indien ook de

partner een persoon is als bedoeld in het eerste lid. Een ouder met een

partner die niet in Nederland woont, heeft slechts aanspraak op een

tegemoetkoming, indien de partner in een lidstaat woont en, daartoe

gerechtigd, in Nederland arbeid verricht dan wel als hij een uitkering

ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, d, e, h of i.

4. In het geval de partner een bloed- of aanverwant is van de ouder in

de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, dan heeft de ouder

aanspraak als ware hij zonder partner.

5. Voor de toepassing van deze wet wordt met inkomen uit werk en

woning als bedoeld in het eerste lid, onder a, gelijkgesteld, een daarmee

overeenkomend inkomen dat in het buitenland is belast, dan wel is

vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal

recht.

6. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de

gevallen waarin of de omstandigheden waaronder kinderopvang voor een

kind als bedoeld in het eerste lid, onderdeel l, voor een goede en gezonde

ontwikkeling van het kind noodzakelijk is.

 

Artikel 7

1. De hoogte van de tegemoetkoming van het Rijk is afhankelijk van:

a. het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft,

dat van zijn partner, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1°. het aantal uren kinderopvang per kind in het tegemoetkomingsjaar,

2°. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het

bedrag, bedoeld in het vierde lid, en

3°. de soort kinderopvang.

2. De hoogte van de tegemoetkoming van het Rijk is voorts mede

afhankelijk van:

a. de bijdragen in de kosten van kinderopvang die de ouder en diens

partner per kind kunnen ontvangen in het kader van het al dan niet als

werknemer verrichten van tegenwoordige arbeid als bedoeld in artikel 6,

eerste lid, onder a of b, met dien verstande dat die bijdragen slechts in

aanmerking worden genomen, voor zover het totaal ervan een derde deel

van de kosten van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, niet te boven

gaat, of

b. de bijdragen in de kosten van kinderopvang die de ouder zonder

partner per kind kan ontvangen in het kader van het al dan niet als

werknemer verrichten van tegenwoordige arbeid als bedoeld in artikel 6,

eerste lid, onder a of b, met dien verstande dat die bijdragen slechts in

aanmerking wordt genomen, voor zover het totaal ervan een zesde deel

van de kosten van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, niet te boven

gaat.

3. Een ouder en, indien hij een partner heeft, diens partner met een

toetsingsinkomen boven een bij algemene maatregel van bestuur

bepaalde inkomensgrens hebben geen aanspraak op een tegemoetkoming

als bedoeld in het tweede lid.

4. De tegemoetkoming van het Rijk bedraagt per kind voor een ouder

met een partner ten hoogste twee derde deel van de kosten van kinderopvang,

bedoeld in het eerste lid. De uurprijs die bij de hoogte van de

tegemoetkoming, bedoeld in de eerste volzin, in aanmerking wordt

genomen gaat een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen

bedrag niet te boven. Dat bedrag kan per soort kinderopvang verschillend

worden vastgesteld en kan voor kinderopvang die plaatsvindt in landen

die geen deel uitmaken van de Europese Unie dan wel geen partij zijn bij

de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte lager

worden vastgesteld.

5. Voor een ouder zonder partner bedraagt de hoogte van de tegemoetkoming

van het Rijk per kind ten hoogste vijf zesde deel van de kosten van

kinderopvang, bedoeld in het eerste lid. Het vierde lid, tweede en derde

volzin, is van overeenkomstige toepassing.

6. De bedragen, bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid, en de mate

waarin het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner

heeft, dat van zijn partner een rol speelt bij de hoogte van de tegemoetkoming,

worden per 1 januari van ieder kalenderjaar bij regeling van Onze

Minister herzien aan de hand van een bij algemene maatregel van bestuur

aan te wijzen index ter zake van lonen of prijzen.

7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere

regels gesteld omtrent de hoogte en de berekeningswijze van de

tegemoetkoming van het Rijk, waarbij tevens tabellen worden vastgesteld,

waaruit de relatie tussen de kosten van kinderopvang en de tegemoetkoming

van het Rijk kan worden afgelezen.

 

Artikel 8

1. Het toetsingsinkomen is:

a. indien over het tegemoetkomingsjaar een aanslag inkomstenbelasting

is vastgesteld: het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de

Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dat in die aanslag is opgenomen;

b. indien over het tegemoetkomingsjaar geen aanslag inkomstenbelasting

is vastgesteld: het belastbare loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet

op de loonbelasting 1964, zoals dat blijkt uit de jaaropgaaf, bedoeld in

artikel 2, eerste lid, onder f, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting

2001.

2. Ingeval er inkomen is dat niet of niet volledig in een verzamelinkomen

of belastbaar loon als bedoeld in het eerste lid is begrepen,

bepaalt de inspecteur, in afwijking van dat lid, gelijktijdig met de

vaststelling van de tegemoetkoming van het Rijk het toetsingsinkomen,

als ware dat inkomen aan de Nederlandse inkomstenbelasting of

loonbelasting onderworpen.

 

Artikel 9

1. De inspecteur verleent de tegemoetkoming van het Rijk en stelt deze

vast.

2. De aanvraag van een tegemoetkoming van het Rijk wordt door de

ouder ingediend bij de inspecteur.

3. Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede

ondertekend door die partner.

4. De ouder doet bij de aanvraag zo mogelijk opgave van zijn sociaalfiscaalnummer

en dat van zijn partner en van het kind waarop de

tegemoetkoming betrekking heeft.

 

Artikel 10

1. Een aanvraag tot verlening van de tegemoetkoming van het Rijk over

een tegemoetkomingsjaar wordt gedaan vóór 1 december van dat

tegemoetkomingsjaar.

2. Indien een beschikking tot verlening van een tegemoetkoming wordt

gegeven, wordt tevens een beschikking tot voorschotverlening gegeven.

 

Artikel 11

1. Een aanvraag tot vaststelling van de tegemoetkoming van het Rijk

over een tegemoetkomingsjaar wordt gedaan vóór 1 april van het jaar

volgend op dat tegemoetkomingsjaar.

2. Indien vóór de in het eerste lid genoemde datum de ouder of diens

partner uitgenodigd is om over het tegemoetkomingsjaar aangifte

inkomstenbelasting te doen, wordt, in afwijking van het eerste lid, de

aanvraag tot vaststelling gedaan uiterlijk op de dag waarop die aangifte

moet zijn ingediend. Zijn zowel de ouder als zijn partner uitgenodigd om

aangifte inkomstenbelasting te doen, dan wordt de aanvraag tot

vaststelling gedaan uiterlijk op de dag waarop de laatste aangifte moet

zijn ingediend.

3. Indien de bij de aanvraag tot vaststelling verstrekte gegevens het

vermoeden rechtvaardigen dat de uitbetaalde voorschotten de vast te

stellen tegemoetkoming te boven zullen gaan, worden bij beschikking van

de inspecteur de voorschotten teruggevorderd voor zover dit het geval is.

4. Indien de bij de aanvraag tot vaststelling verstrekte gegevens het

vermoeden rechtvaardigen dat de vast te stellen tegemoetkoming de

uitbetaalde voorschotten te boven zal gaan, wordt bij beschikking van de

inspecteur het meerdere als voorschot toegekend en in een keer uitbetaald.

 

Artikel 12

Indien een aanvraag tot vaststelling van de tegemoetkoming niet is

voorafgegaan door een aanvraag tot verlening, kan voorafgaand aan de

vaststelling een beschikking omtrent verlening worden gegeven.

 

Artikel 13

1. De inspecteur beslist op de aanvraag tot vaststelling van de

tegemoetkoming van het Rijk:

a. indien voor zowel de ouder als diens partner een aanslag inkomstenbelasting

wordt vastgesteld: binnen acht weken na de dag van dagtekening

van het laatste aanslagbiljet inkomstenbelasting over het

tegemoetkomingsjaar;

b. indien noch voor de ouder noch voor diens partner een aanslag

inkomstenbelasting wordt vastgesteld: vóór 1 december van het jaar

volgend op het tegemoetkomingsjaar;

c. in andere gevallen dan bedoeld onder a en b: vóór 1 december van

het jaar volgend op het tegemoetkomingsjaar, of binnen acht weken na de

dag van de dagtekening van het aanslagbiljet inkomstenbelasting over het

tegemoetkomingsjaar, indien de laatste dag van die periode van acht

weken is gelegen na die datum.

2. Indien een beschikking als bedoeld in het eerste lid niet binnen de in

dat lid genoemde termijn van acht weken kan worden gegeven, kan de

inspecteur deze termijn met een door hem te bepalen redelijke termijn

verlengen. De inspecteur stelt de ouder daarvan in kennis.

 

Artikel 14

1. Over de op grond van de vaststelling van de tegemoetkoming van

het Rijk uit te betalen bedragen onderscheidenlijk terug te betalen

voorschotten wordt rente vergoed onderscheidenlijk geheven.

2. De rente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt

op 1 januari van het jaar volgend op het tegemoetkomingsjaar en eindigt

op de dag van de dagtekening van de beschikking tot vaststelling van de

tegemoetkoming.

3. Het percentage van de rente is gelijk aan het percentage, bedoeld in

artikel 30f, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

 

Artikel 15

1. Indien na een eerste of nadere vaststelling van het verzamelinkomen,

bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, het

belastbare loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964

of het inkomen als bedoeld in artikel 8, tweede lid, blijkt dat de tegemoetkoming

van het Rijk tot een te laag of te hoog bedrag is vastgesteld,

wijzigt de inspecteur die tegemoetkoming met inachtneming van die

vaststelling.

2. De beschikking tot wijziging van de tegemoetkoming, bedoeld in het

eerste lid, geschiedt binnen acht weken na het tijdstip waarop de

beschikking of uitspraak strekkende tot de eerste of nadere vaststelling

van het in het eerste lid bedoelde verzamelinkomen of inkomen onherroepelijk

is geworden dan wel de herziene jaaropgaaf bij de inspecteur

bekend is geworden.

3. Indien de beschikking tot wijziging van de tegemoetkoming niet

binnen de in het tweede lid genoemde termijn kan worden gegeven, kan

de inspecteur deze termijn met een door hem te bepalen redelijke termijn

verlengen. De inspecteur stelt de ouder daarvan in kennis.

 

Artikel 16

In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de

termijn voor het instellen van bezwaar tegen een ingevolge deze wet

genomen beschikking van de inspecteur aan met ingang van de dag na

die van dagtekening van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening

gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.

 

Artikel 17

In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de

termijn voor het instellen van beroep tegen een uitspraak van de

inspecteur aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het

besluit waarbij de beslissing op het bezwaar is genomen, tenzij de dag

van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.

 

Artikel 18

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels

gesteld omtrent de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling

van de tegemoetkoming.

 

Artikel 19

De inspecteur en de ontvanger maken zo mogelijk van het sociaalfiscaalnummer

gebruik met betrekking tot uitvoering van deze wet.

 

Artikel 20

1. De ouder verstrekt desgevraagd aan de inspecteur alle gegevens en

inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de

hoogte van de tegemoetkoming van belang zijn.

2. De inlichtingen en gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden

verstrekt binnen een door de inspecteur te stellen redelijke termijn.

 

Artikel 21

1. De inspecteur van de rijksbelastingdienst die bevoegd is voor de

heffing van de inkomstenbelasting of loonbelasting van de ouder of diens

partner, verstrekt uit eigen beweging aan de inspecteur alle gegevens en

inlichtingen die nodig zijn voor de verlening of de vaststelling van de

tegemoetkoming van het Rijk, zo mogelijk voorzien van het sociaalfiscaalnummer

van degene op wie de gegevens en inlichtingen betrekking

hebben.

2. De houder, het college van burgemeester en wethouders, het

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, alsmede degene die een

ouder of zijn partner in het kader van het verrichten van tegenwoordige

arbeid een beloning verstrekt, verstrekken desgevraagd, zo mogelijk

onder vermelding van de desbetreffende sociaal-fiscale nummers,

kosteloos, aan de inspecteur alle gegevens en inlichtingen nodig voor de

vaststelling van de tegemoetkoming van het Rijk.

3. De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden

verstrekt binnen een bij het verzoek daartoe, door de inspecteur te stellen

redelijke termijn.

 

Paragraaf 3. Tegemoetkoning van de gemeente

Artikel 22

1. Een ouder heeft in een tegemoetkomingsjaar aanspraak op een

tegemoetkoming van de gemeente:

a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel

6, eerste lid, onder c tot en met f, voor wie het college van burgemeester

en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of

derde lid, tweede volzin, van de Wet werk en bijstand, de artikelen 12

of 14, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten of

artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, verantwoordelijk is voor

het ondersteunen bij arbeidsinschakeling of voor zover de ouder in dat

jaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder g, j, k of l;

b. voor zover de ouder en zijn partner in dat jaar personen zijn als

bedoeld onder a;

c. voor zover het gevallen betreft, waarin ofwel de ouder ofwel zijn

partner in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a en de ander een

persoon als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a;

d. voor zover het gevallen betreft, waarin ofwel de ouder ofwel zijn

partner in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a en de ander een

persoon als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a.

2. Aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente heeft eveneens

een ouder, voor zover de ouder in een tegemoetkomingsjaar een persoon

is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en algemene bijstand

ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand of voor zover de ouder en

zijn partner in dat jaar personen zijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid,

onder a, en algemene bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en

bijstand.

3. De aanspraak bestaat jegens de gemeente waar de ouder zijn

woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek

1 van het Burgerlijk Wetboek.

4. Een persoon als bedoeld in het eerste lid, onder a, heeft slechts

aanspraak op een tegemoetkoming, indien hij geen partner heeft.

5. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 23

1. Het college van burgemeester en wethouders stelt op aanvraag van

de ouder vast of hij of zijn partner dan wel het kind van de ouder een

geļndiceerde persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of

l, en in welke mate uit dien hoofde, voor zover andere voorzieningen geen

passender oplossing kunnen bieden, kinderopvang in de zin van deze wet

noodzakelijk is.

2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij het

college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de ouder

zijn woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van

Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

3. Alvorens te besluiten, wint het college van burgemeester en

wethouders ten behoeve van de vaststelling van de noodzakelijkheid van

kinderopvang als bedoeld in het eerste lid advies in van een onafhankelijke

organisatie die beschikt over adequate deskundigheid.

4. Het besluit van het college van burgemeester en wethouders

vermeldt de geldigheidsduur van de indicatie.

5. Het college van burgemeester en wethouders kan periodiek

herindicatie verrichten van personen als bedoeld in het eerste lid. De

herindicatie vindt plaats overeenkomstig het derde lid.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen:

a. nadere regels worden gesteld met betrekking tot de krachtens dit

artikel aan de gemeente opgedragen taken en de wijze van uitoefening

daarvan;

b. organisaties als bedoeld in het derde lid worden aangewezen,

waarbij tevens regels kunnen worden gesteld omtrent de door die

organisaties te hanteren werkwijze.

 

Artikel 24

1. De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt:

a. voor een ouder als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder b,

voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid,

onder c, e of f, een derde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd

met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat

het totaal aan tegemoetkomingen van het Rijk en de gemeente niet meer

bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid;

b. voor een ouder als bedoeld in 22, eerste lid, onder b, voorzover de

ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, d, g, j, k of l, een

derde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste

lid.

2. De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt:

a. voor een ouder als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder a, c of d,

voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid,

onder c, e of f, een zesde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd

met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat

het totaal aan tegemoetkomingen van het Rijk en de gemeente niet meer

bedraagt dan kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid;

b. voor een ouder als bedoeld in artikel 22, eerste lid, a, c of d,

voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid,

onder d, g, j, k of l, een zesde deel van de kosten van kinderopvang,

bedoeld in artikel 7, eerste lid.

3. De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt voor een ouder of

zijn partner als bedoeld in artikel 22, tweede lid, een bij regeling van Onze

Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan tegemoetkomingen

van het Rijk en de gemeente niet meer bedraagt dan de kosten

van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.

4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter

voorkoming van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit artikel,

voorzover de ouder en zijn partner personen zijn als bedoeld in het eerste

lid, onder a, onderscheidenlijk met tegemoetkomingen ingevolge artikel

30, voorzover het gevallen betreft, waarin, ofwel de ouder ofwel zijn

partner een persoon is als bedoeld in het tweede lid, onder a, en de ander

een persoon is als bedoeld in artikel 30, tweede lid.

 

Artikel 25

De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast omtrent de tegemoetkoming

van de gemeente. Deze regels hebben betrekking op de verlening,

de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming.

 

Artikel 26

1. De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het

college van burgemeester en wethouders.

2. De ouder doet bij de aanvraag zo mogelijk opgave van zijn sociaalfiscaalnummer

en dat van zijn partner en van het kind waarop de

tegemoetkoming betrekking heeft.

3. Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede

ondertekend door die partner.

 

Artikel 27

Het college van burgemeester en wethouders maakt zo mogelijk van het

sociaal-fiscaalnummer gebruik bij de uitvoering van deze wet.

 

Artikel 28

1. De ouder verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester

en wethouders alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die

voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de

gemeente van belang zijn.

2. De inlichtingen en gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden

verstrekt binnen een door het college van burgemeester en wethouders te

stellen redelijke termijn.

3. Inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van

een lagere tegemoetkoming worden, onmiddellijk na het bekend worden

daarvan, door de ouder schriftelijk verstrekt aan het college van burgemeester

en wethouders.

4. De houder verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester

en wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van

een ouder op de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn.

 

Paragraaf 4. Tegemoetkoning van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Artikel 29

1. Een ouder heeft in een tegemoetkomingsjaar aanspraak op een

tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:

a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel

6, eerste lid, onder h of i, tenzij het college van burgemeester en

wethouders op grond van artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet,

artikel 14, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten

of op grond van artikel 7, derde lid, tweede volzin, van de Wet werk en

bijstand verantwoordelijk is voor het ondersteunen van die ouder bij

arbeidsinschakeling;

b. voor zover de ouder en zijn partner in dat jaar een persoon is als

bedoeld onder a;

c. voor zover het gevallen betreft, waarin ofwel de ouder ofwel zijn

partner in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a en de ander een

persoon als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder a;

d. voor zover het gevallen betreft, waarin ofwel de ouder ofwel zijn

partner in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a en de ander een

persoon als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a.

2. Een persoon als bedoeld in het eerste lid onder a heeft slechts

aanspraak op een tegemoetkoming indien hij geen partner heeft.

3. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 30

1. De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

bedraagt voor een ouder als bedoeld in artikel 29, eerste

lid, onder b, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6,

eerste lid, onder h of i, een derde deel van de kosten van kinderopvang,

verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen

bedrag, dat het totaal aan tegemoetkomingen van het Rijk en het

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet meer bedraagt dan de

kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.

2. De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

bedraagt voor de overige ouders, bedoeld in artikel 29,

eerste lid, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6,

eerste lid, onder h of i, een zesde deel van de kosten van kinderopvang,

verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen

bedrag, dat het totaal aan tegemoetkomingen van het Rijk en het

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet meer bedraagt dan de

kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.

3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter

voorkoming van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit artikel,

voorzover de ouder en zijn partner personen zijn als bedoeld in het eerste

lid, onderscheidenlijk met tegemoetkomingen ingevolge artikel 24,

voorzover het gevallen betreft, waarin, ofwel de ouder ofwel zijn partner

een persoon is als bedoeld in het tweede lid en de ander een persoon is

als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder a.

 

Artikel 31

1. De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

2. De ouder doet bij de aanvraag zo mogelijk opgave van zijn sociaalfiscaalnummer

en dat van zijn partner en van het kind waarop de

tegemoetkoming betrekking heeft.

3. Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede

ondertekend door die partner.

 

Artikel 32

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen maakt zo mogelijk

van het sociaal-fiscaalnummer gebruik bij de uitvoering van deze wet.

 

Artikel 33

1. De ouder verstrekt desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn

partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming

van het Uitvoeringsinstituut van belang zijn.

2. De inlichtingen en gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden

verstrekt binnen een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

te stellen redelijke termijn.

3. Inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van

een lagere tegemoetkoming worden, onmiddellijk na het bekend worden

daarvan, door de ouder schriftelijk verstrekt aan het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen.

4. De houder verstrekt desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen alle gegevens en inlichtingen die voor de

aanspraak van een ouder op de tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen van belang zijn.

 

Artikel 34

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld

omtrent de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de

tegemoetkoming.

 

Paragraaf 5. Voortzetting aanspraak tegemoetkomingen

Artikel 35

1. Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten dat een

ouder, die een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c tot en

met f, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond

van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of derde lid, tweede volzin, van

de Wet werk en bijstand, de artikelen 12 of 14, eerste lid, van de Wet op de

(re)integratie arbeidsgehandicapten of artikel 72, tweede lid, van de

Werkloosheidswet, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij

arbeidsinschakeling, na beėindiging van de aanspraak op grond van

artikel 22, in aansluiting daarop aanspraak heeft op een tegemoetkoming

jegens de gemeente. Artikel 24 is van toepassing.

2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan besluiten dat

een ouder, die een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of

i, tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel

72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, artikel 14, vierde lid, van de Wet

op de (re)integratie arbeidsgehandicapten of op grond van artikel 7, eerste

lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand verantwoordelijk is

voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling, na beėindiging van de

aanspraak op grond van artikel 29, in aansluiting daarop aanspraak heeft

op een tegemoetkoming jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Artikel 30 is van toepassing.

3. Een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt slechts

genomen met betrekking tot een ouder of diens partner, niet zijnde een

bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn

van de ouder, die naar het oordeel van het college van burgemeesters en

wethouders onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

naar vermogen tracht arbeid in dienstbetrekking te

verkrijgen. In een zodanig geval heeft de ouder eveneens aanspraak op

een tegemoetkoming van het Rijk, voor zover hij niet reeds een aanspraak

heeft op grond van artikel 6.

4. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de

maximale duur van aanspraken, verleend op grond van het eerste of

tweede lid.

 

Paragraaf 6. Invordering

Artikel 36

1. Bedragen door een ouder of diens partner in het kader van deze wet

verschuldigd aan het Rijk worden ingevorderd door de ontvanger.

2. Een bedrag verschuldigd aan het Rijk is invorderbaar twee maanden

na de dagtekening van de beschikking, bedoeld in artikel 11, derde lid, en

de beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming.

3. In afwijking van het tweede lid is een bedrag verschuldigd aan het

Rijk, dat voortvloeit uit een beschikking waarbij de vaststelling van de

tegemoetkoming wordt gewijzigd, invorderbaar één maand na dagtekening

van de beschikking.

4. De invordering geschiedt met overeenkomstige toepassing van de

artikelen 7, 17, 19, 24 25, 28 en 29 van de Invorderingswet 1990.

5. De kosten van invordering worden berekend op de voet van de

Kostenwet invordering rijksbelastingen.

 

Artikel 37

1. Naast de bevoegdheden die de ontvanger ter zake van invorderingen

heeft ingevolge deze wet, beschikt hij ook over de bevoegdheden die een

schuldeiser heeft op grond van enige andere wettelijke bepaling.

2. Als de ouder of diens partner in gebreke blijft een door hem

verschuldigd bedrag te voldoen binnen de termijn, bedoeld in artikel 36,

tweede lid, zendt de ontvanger hem een aanmaning om binnen tien

dagen na de dagtekening van de aanmaning, het verschuldigde bedrag te

voldoen.

3. Als de ouder of diens partner ook na aanmaning in gebreke blijft, kan

de invordering van het verschuldigde bedrag, vermeerderd met de kosten

van aanmaning en invordering, zonder rechterlijke tussenkomst

geschieden bij dwangbevel.

4. De betekening en tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden

door de belastingdeurwaarder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder j, van

de Invorderingswet 1990 met toepassing van de artikelen 13 en 14 van die

wet.

 

Artikel 38

1. Bedragen door een ouder of diens partner in het kader van deze wet

verschuldigd aan de gemeente worden ingevorderd door het college van

burgemeester en wethouders. Een bedrag is invorderbaar vanaf een

maand na de dag van dagtekening van de beschikking waarbij de

vordering is ontstaan.

2. De artikelen 58 tot en met 60 van de Wet werk en bijstand zijn van

overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 39

Op de invordering van bedragen door een ouder of diens partner in het

kader van deze wet verschuldigd aan het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen zijn de artikelen 35 en 35a van de Wet op de

(re)integratie arbeidsgehandicapten van overeenkomstige toepassing.

 

Paragraaf 7. Overige bepalingen

Artikel 40

De tegemoetkomingen van het Rijk, de gemeente of het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen blijven buiten beschouwing bij de

verlening van andere op het inkomen of vermogen afgestemde publiekrechtelijke

uitkeringen en verstrekkingen.

 

Artikel 41

1. De tegemoetkomingen van het Rijk, de gemeente of het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen, zijn niet vatbaar voor vervreemding,

verpanding, belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge

faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke

personen, tenzij het betreft de inning van:

a. vorderingen van houders of gastouders ter zake van verleende

kinderopvang;

b. vorderingen van het Rijk, de gemeente of het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen, voortvloeiend uit deze wet.

2. Elk beding dat strijdt met het eerste lid, is nietig.

 

Artikel 42

Bij regeling van Onze Minister van Financiėn kunnen nadere regels

worden gesteld omtrent door het college van burgemeester en

wethouders of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te

verstrekken inlichtingen en gegevens die van belang zijn voor de

aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van het Rijk.

 

Artikel 43

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter

voorkoming of beperking van samenloop van tegemoetkomingen

ingevolge dit hoofdstuk met naar aard en strekking daarmee overeenkomende

tegemoetkomingen op grond van wetgeving van een andere

mogendheid.

 

Artikel 44

De ouder en zijn partner, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de

rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn van de ouder, zijn ten

aanzien van schulden voortvloeiend uit deze wet, hoofdelijk aansprakelijk.

 

 

Hoofdstuk 3. Kwaliteit

 

Paragraaf 1. Melding en registratie

Artikel 45

1. Degene die voornemens is een kindercentrum of gastouderbureau in

exploitatie te nemen doet daarvan melding aan het college van burgemeester

en wethouders van de gemeente van vestiging. Een kindercentrum

of een gastouderbureau wordt niet in exploitatie genomen,

voordat de termijn, bedoeld in artikel 62, is verstreken of indien uit het

onderzoek, bedoeld in dat artikel, eerder is gebleken dat de exploitatie

redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij

of krachtens de paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk, vanaf dat moment.

2. Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald welke gegevens bij die

melding worden verstrekt en op welke wijze deze worden verstrekt.

 

Artikel 46

1. Het college van burgemeester en wethouders houdt een register bij

van gemelde kindercentra en gastouderbureaus. In het register worden na

een melding onverwijld de gegevens opgenomen die ingevolge artikel 45,

tweede lid, zijn verstrekt.

2. Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder

schriftelijk mee dat opneming van het kindercentrum onderscheidenlijk

het gastouderbureau in het register heeft plaatsgevonden.

3. Het college van burgemeester en wethouders maakt de opneming in

het register bekend in een lokaal verspreid dag-, nieuws- of huis-aanhuisblad.

4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent

de in het register op te nemen gegevens, de vastlegging van gegevens in

het register, de verwijdering van gegevens uit het register, de wijze

waarop verbetering van onjuistheden in het register plaatsvindt en de

verstrekking van gegevens.

5. Het register ligt ter gemeentesecretarie kosteloos voor een ieder ter

inzage.

 

Artikel 47

1. De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de melding

zijn verstrekt, onverwijld mededeling aan het college van burgemeester

en wethouders.

2. Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder

schriftelijk mee dat de wijziging in het register, bedoeld in artikel 46,

eerste lid, is aangetekend.

 

Artikel 48

1. Onze Minister kan een buiten Nederland gevestigd kindercentrum of

gastouderbureau met een geregistreerd kindercentrum of geregistreerd

gastouderbureau gelijkstellen, door opneming ervan in een door hem bij

te houden centraal register.

2. Indien een ouder voornemens is, gebruik te maken van een kindercentrum

of gastouderopvang door tussenkomst van een gastouderbureau

buiten Nederland, doet hij bij Onze Minister een aanvraag om opneming

van dat centrum of bureau in het centrale register. Een kindercentrum of

gastouderbureau wordt slechts in dat register opgenomen, indien

aannemelijk is gemaakt dat de kwaliteit ervan naar aard en naar strekking

overeenkomt met de op grond van deze wet gestelde regels.

3. Onze Minister deelt de houder en de aanvrager schriftelijk mee dat

opneming van het kindercentrum onderscheidenlijk het gastouderbureau

in het centrale register heeft plaatsgevonden.

4. Onze Minister maakt de opneming in en verwijdering uit het centrale

register bekend in de Staatscourant.

5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent

het centrale register en de wijze waarop verbetering van onjuistheden in

dat register plaatsvindt.

6. De houder doet van wijzigingen in de gegevens die ten behoeve van

de opneming in het centrale register zijn verstrekt, onverwijld mededeling

aan Onze Minister.

7. Onze Minister deelt de houder schriftelijk mee dat de wijzigingen in

het centrale register zijn aangetekend.

8. De houder van een kindercentrum of gastouderbureau als bedoeld in

het eerste lid draagt er zorg voor dat de kwaliteit van het centrum of het

bureau naar aard en naar strekking overeenkomt met de op grond van

deze wet gestelde regels. De artikelen 45 tot en met 47 en 49 tot en met 60

en de hoofdstukken 4 en 5 zijn niet van toepassing op een kindercentrum

of een gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid.

9. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld

omtrent:

a. de wijze waarop aannemelijk wordt gemaakt dat een kindercentrum

of gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid voldoet aan het tweede

lid;

b. het toezicht op de naleving van het achtste lid;

c. het verstrekken van gegevens en inlichtingen door de ouder en de

houder alsmede de wijze waarop deze gegevens en inlichtingen worden

verstrekt ten behoeve van dat toezicht.

10. Indien blijkt dat de kwaliteit van het kindercentrum of gastouderbureau

niet langer naar aard en strekking overeenkomt met de op grond

van deze wet gestelde regels of dat de houder niet voldoet aan enige

verplichting die op grond van deze wet op hem rust wordt het kindercentrum

of gastouderbureau uit het register verwijderd.

 

Paragraaf 2. Eisen

Artikel 49

1. Een houder van een kindercentrum biedt verantwoorde kinderopvang

aan waaronder wordt verstaan opvang die bijdraagt aan een

goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde

omgeving.

2. Een houder van een gastouderbureau draagt zorg voor een verantwoorde

uitvoering van de werkzaamheden van het bureau, waaronder

wordt verstaan het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang

die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een

veilige en gezonde omgeving.

 

Artikel 50

1. De houder van een kindercentrum organiseert de kinderopvang op

zodanige wijze, voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief, als kwantitatief

zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige

verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig pedagogisch beleid

dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde

kinderopvang. Ter uitvoering van de eerste volzin besteedt de houder in

ieder geval aantoonbaar aandacht aan het aantal beroepskrachten in

relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie, de groepsgrootte, de

opleidingseisen van de beroepskrachten en de voorwaarden waaronder

en de mate waarin beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast

met de verzorging en opvang van kinderen.

2. Personen werkzaam bij een kindercentrum zijn in het bezit van een

verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiėle

gegevens.

3. De verklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt aan de houder

overgelegd, voordat een persoon als bedoeld in het tweede lid zijn

werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt

overgelegd, niet ouder dan twee maanden.

4. Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden

dat een persoon als bedoeld in het tweede lid niet langer voldoet aan de

eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de

houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag

overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon

legt de verklaring over binnen een door de houder vast te stellen termijn.

 

Artikel 51

De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de

gezondheid van de op te vangen kinderen in elk door hem geėxploiteerd

kindercentrum zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder legt, voor

zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving,

in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s de

opvang van kinderen met zich brengt.

 

Artikel 52

Kinderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst

tussen de houder en de ouder.

 

Artikel 53

Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede

uitvoering van deze wet regels worden gesteld met betrekking tot de

administratie van gegevens bij kindercentra.

 

Artikel 54

De houder informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum

worden opgevangen over het te voeren beleid als bedoeld in deze

paragraaf.

 

Artikel 55

1. Bij kinderopvang in een kindercentrum wordt de Nederlandse taal als

voertaal gebruikt. Daar waar naast de Nederlandse taal, de Friese taal of

een streektaal in levend gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal

mede als voertaal worden gebruikt.

2. In afwijking van het eerste lid kan mede een andere taal als voertaal

worden gebezigd, indien de herkomst van de kinderen in specifieke

omstandigheden daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder

vastgestelde gedragscode.

 

Artikel 56

1. De houder van een gastouderbureau organiseert zijn werkzaamheden

op zodanige wijze, voorziet het bureau zowel kwalitatief als

kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een

zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig beleid, dat

een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde

uitvoering van de werkzaamheden.

2. De artikelen 52, 53 en 54 zijn van overeenkomstige toepassing op de

houder van een gastouderbureau.

3. Op personen werkzaam bij een gastouderbureau en op gastouders is

artikel 50, tweede, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 57

Indien de kinderopvang in een kindercentrum geschiedt uitsluitend en

onbezoldigd door ten minste een van de ouders van de in die voorziening

opgevangen kinderen worden voor de toepassing van artikel 50, eerste

lid, ouders gelijkgesteld met personeel en beroepskrachten.

 

Paragraaf 3. Oudercommissie

Artikel 58

1. Een houder van een kindercentrum of een gastouderbureau stelt

voor elk door hem geėxploiteerd kindercentrum of gastouderbureau een

oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden,

genoemd in artikel 60.

2. De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door

degenen wier kinderen in het kindercentrum of door tussenkomst van het

gastouderbureau worden opgevangen.

3. Personen werkzaam bij een kindercentrum onderscheidenlijk

gastouderbureau zijn geen lid van de oudercommissie van dat kindercentrum

of gastouderbureau.

4. De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze.

 

Artikel 59

1. De houder stelt binnen zes maanden na de melding, bedoeld in

artikel 45, eerste lid, voor de oudercommissie een reglement vast.

2. Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent:

a. het aantal leden van de oudercommissie;

b. de wijze waarop de leden van de oudercommissie worden gekozen;

c. de zittingsduur van de leden van de oudercommissie.

3. Het reglement bevat geen regels omtrent de werkwijze van de

oudercommissie.

4. De oudercommissie beslist bij meerderheid van stemmen.

5. Wijziging van het reglement behoeft instemming van de oudercommissie.

 

Artikel 60

1. De houder stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid

advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot:

a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 50 dan wel aan

artikel 56;

b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene

beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid;

c. openingstijden;

d. het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten

behoeve van de kinderen;

e. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling

van klachten en het aanwijzen van personen die belast worden met de

behandeling van klachten;

f. wijziging van de prijs van kinderopvang.

2. Van een advies als bedoeld in het eerste lid kan de houder slechts

afwijken indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van

de kinderopvang zich tegen het advies verzet.

3. De oudercommissie is bevoegd de houder ook ongevraagd te

adviseren over de onderwerpen, genoemd in het eerste lid.

4. De houder verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd

schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van zijn taak

redelijkerwijs nodig heeft.

 

 

Hoofdstuk 4. Handhaving

 

Paragraaf 1. Toezicht op de naleving

Artikel 61

1. Het college van burgemeester en wethouders ziet toe op de naleving

van de bij of krachtens hoofdstuk 3 gestelde regels, onderscheidenlijk de

krachtens artikel 65 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens

artikel 66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens

artikel 66, tweede lid, uitgevaardigde verboden. Het college van burgemeester

en wethouders wijst ambtenaren van de GGD aan als toezichthouder.

2. Van een aanwijzing als toezichthouder wordt mededeling gedaan in

een lokaal verspreid dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.

3. Voor zover een kindercentrum of een gastouderbureau in een woning

is gevestigd, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld

in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die

woning binnen te treden.

 

Artikel 62

1. De toezichthouder onderzoekt na een melding als bedoeld in artikel

45, eerste lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn

of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met

het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3.

2. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of

de exploitatie van elk kindercentrum of gastouderbureau plaatsvindt in

overeenstemming met de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3,

gestelde regels, behoudens bijzondere omstandigheden.

3. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de

toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door

een houder van de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3,

gestelde regels. Artikel 63 is van overeenkomstige toepassing, tenzij de

aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage

verzetten.

 

Artikel 63

1. De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een

onderzoek bij een kindercentrum of een gastouderbureau vast in een

inspectierapport.

2. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of

krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3, gegeven voorschriften niet zijn

of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.

3. Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de

houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en

daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de

zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.

4. De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de

houder, die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op

een voor ouders en personeel toegankelijke plaats.

5. De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na

de vaststelling daarvan openbaar.

 

Artikel 64

1. Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de door de toezichthouder

te hanteren werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in deze

paragraaf.

2. De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in

de Staatscourant.

 

Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen

Artikel 65

1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente

waarin zich een kindercentrum of een gastouderbureau bevindt dat de bij

of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3, gegeven voorschriften niet of

in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing

geven.

2. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college van

burgemeester en wethouders met redenen omkleed aan op welke punten

de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate

worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.

3. Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van de kinderopvang

bij een kindercentrum zodanig tekortschiet, dat het nemen van

maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder

een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van

zeven dagen, welke door het college van burgemeester en wethouders

kan worden verlengd.

4. De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing

onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn.

 

Artikel 66

1. Het college van burgemeester en wethouders kan de houder

verbieden de exploitatie van een kindercentrum of gastouderbureau voort

te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het toepassen

van bestuursdwang niet mogelijk is.

2. Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 62 blijkt dat het

kindercentrum of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet

langer aan de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragraaf 2, gegeven

voorschriften zal voldoen, kan het college van burgemeester en

wethouders zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat

kindercentrum in exploitatie te nemen.

 

Artikel 67

1. Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks op een

door Onze Minister te bepalen tijdstip een verslag vast van alle werkzaamheden

die hij en de toezichthouders in het kader van dit hoofdstuk in het

voorafgaande kalenderjaar hebben verricht. Het college zendt het verslag

aan de gemeenteraad en een afschrift daarvan aan Onze Minister.

2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld

omtrent de in het verslag op te nemen gegevens.

Paragraaf 3. Rijkstoezicht op gemeentelijk toezicht en ingrijpen

 

Artikel 68

1. Onze Minister houdt toezicht op:

a. de rechtmatigheid van de uitvoering van de bij of krachtens dit

hoofdstuk en hoofdstuk 6 gestelde regels door het college van burgemeester

en wethouders;

b. de doeltreffendheid van de uitvoering van de bij of krachtens dit

hoofdstuk en hoofdstuk 6 gestelde regels door het college van burgemeester

en wethouders.

2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt onder gezag van Onze

Minister uitgeoefend door de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in

hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en

inkomen, onder leiding van het hoofd van die inspectie. De artikelen 37,

38, 42 en 44 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen

zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige

uitvoering de bij of krachtens dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 gestelde regels

ernstige tekortkomingen constateert, aan het college van burgemeester en

wethouders, nadat het gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld

zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt

daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. In een

aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college van

burgemeester en wethouders de uitvoering in overeenstemming heeft

gebracht met de aanwijzing.

 

Artikel 69

1. Het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad

verstrekken desgevraagd binnen een door Onze Minister te stellen termijn

alle gegevens en inlichtingen die hij voor het toezicht nodig heeft.

2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met

betrekking tot de wijze waarop het college van burgemeester en

wethouders de in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen

verzamelen en verstrekken.

3. De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden

kosteloos verstrekt.

 

Artikel 70

Onze Minister stelt jaarlijks een verslag vast van de werkzaamheden die

hij in het kader van dit hoofdstuk in het voorafgaande kalenderjaar heeft

verricht. Hij zendt afschrift van het verslag aan de Tweede Kamer der

Staten-Generaal.

 

 

Hoofdstuk 5. Opsporing en sancties

 

Paragraaf 1. Opsporing

Artikel 71

1. Met de opsporing van de feiten omschreven in de artikelen 225 tot en

met 227b, 447c en 447d van het Wetboek van Strafrecht, voor zover het

feit voor de toepassing van deze wet van belang is, zijn, onverminderd

artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de ambtenaren,

aangewezen bij besluit van Onze Minister van Financiėn, Onze Minister en

Onze Minister van Justitie. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de

opsporing van feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182

en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking

hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen

door henzelf.

2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling

gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

 

Paragraaf 2. Bestuurlijke boeten

Artikel 72

1. Het college van burgemeester en wethouders kan:

a. de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens hoofdstuk

3, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 65 of

artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel

handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 66, een bestuurlijke

boete opleggen van ten hoogste € 45 000;

b. de houder die een verplichting als bedoeld in artikel 28, vierde lid,

niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 5000;

c. de ouder die een verplichting als bedoeld in artikel 28, eerste tot en

met derde lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten

hoogste € 2269.

2. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt afgestemd op de ernst

van de overtreding, de mate waarin de overtreding de natuurlijke persoon

of rechtspersoon verweten kan worden en de omstandigheden waarin die

persoon verkeert. Van het opleggen van een bestuurlijke boete wordt in

elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

3. In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet

met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding

opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de

gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.

4. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, komt toe aan de gemeente.

 

Artikel 73

1. Het college van burgemeester en wethouders legt geen bestuurlijke

boete op, indien de overtreder is overleden.

2. Bij overlijden van de overtreder vervalt een opgelegde bestuurlijke

boete voor zover de geldsom nog niet is betaald.

 

Artikel 74

Het college van burgemeester en wethouders legt geen bestuurlijke

boete op, indien aan de overtreder wegens dezelfde gedraging reeds

eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als

bedoeld in artikel 80, tweede lid, is gedaan.

 

Artikel 75

1. Het college van burgemeester en wethouders legt geen bestuurlijke

boete op, indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging:

a. een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is

begonnen, of

b. het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 of 74c

van het Wetboek van Strafrecht.

2. Indien de gedraging tevens een strafbaar feit is, wordt zij aan het

openbaar ministerie voorgelegd, tenzij met het openbaar ministerie is

overeengekomen, dat daarvan kan worden afgezien.

3. Voor een gedraging die aan het openbaar ministerie moet worden

voorgelegd, legt het college van burgemeester en wethouders slechts een

bestuurlijke boete op indien:

a. het openbaar ministerie heeft medegedeeld van strafvervolging

tegen de overtreder af te zien of,

b. sedert het voorleggen van de gedraging dertien weken zijn

verstreken en geen reactie van het openbaar ministerie is ontvangen.

 

Artikel 76

1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt

vijf jaren, nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.

2. Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep

wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn opgeschort tot onherroepelijk op

het bezwaar of beroep is beslist.

 

Artikel 77

1. Het college van burgemeester en wethouders en de voor de

overtreding bevoegde toezichthouder kunnen van de overtreding een

rapport opmaken.

2. Het rapport is gedagtekend en vermeldt:

a. de naam van de overtreder;

b. de overtreding alsmede het overtreden voorschrift;

c. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de

overtreding is geconstateerd;

d. de feiten en omstandigheden op grond waarvan is vastgesteld dat

een overtreding is begaan;

e. de verklaring van degene, bedoeld in artikel 78, indien afgelegd.

3. Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de bekendmaking van

de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete aan de overtreder

toegezonden of uitgereikt.

4. Indien van de overtreding een proces-verbaal als bedoeld in artikel

152 van het Wetboek van Strafvordering, is opgemaakt, treedt dit voor de

toepassing van deze paragraaf in de plaats van het rapport.

5. Aan degene die van de overtreding een rapport heeft opgemaakt,

wordt geen mandaat verleend tot het opleggen van de bestuurlijke boete.

 

Artikel 78

Degene die aan een handeling van het college van burgemeester en

wethouders of van een ingevolge artikel 61 aangewezen ambtenaar

redelijkerwijs de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem een bestuurlijke

boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ten behoeve van deze

oplegging inlichtingen over de overtreding te verstrekken. De overtreder

wordt hierop gewezen alvorens hem mondeling wordt gevraagd

inlichtingen te verstrekken.

 

Artikel 79

1. Het college van burgemeester en wethouders stelt de overtreder

desgevraagd in de gelegenheid kennis te nemen van de gegevens waarop

het opleggen van de bestuurlijke boete, dan wel het voornemen daartoe

berust en daarvan afschriften te vervaardigen.

2. Indien blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs

vergt, draagt het college van burgemeester en wethouders er zoveel

mogelijk zorg voor dat deze gegevens aan de overtreder worden

medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

 

Artikel 80

1. Indien het college van burgemeester en wethouders voornemens is

een boete op te leggen, geeft hij de overtreder daarvan kennis onder de

vermelding van de gronden waarop het voornemen berust en overlegging

van het rapport.

2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht

stelt het college van burgemeester en wethouders de overtreder in de

gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar

voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd. Het college van

burgemeester en wethouders zorgt voor bijstand door een tolk, indien

blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt.

3. Het college van burgemeester en wethouders kan toepassing van het

tweede lid achterwege laten voor zover de persoon reeds eerder in de

gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich

sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan.

4. Indien het college van burgemeester en wethouders, nadat de

overtreder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, beslist dat voor de

overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd, of de

overtreding alsnog aan het openbaar ministerie zal worden voorgelegd,

wordt dit schriftelijk aan de overtreder medegedeeld.

 

Artikel 81

1. Het college van burgemeester en wethouders beslist omtrent het

opleggen van de bestuurlijke boete binnen dertien weken na de dagtekening

van het rapport.

2. De beslistermijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de

gedraging aan het openbaar ministerie is voorgelegd, tot de dag waarop

het bestuursorgaan bevoegd wordt een bestuurlijke boete op te leggen.

 

Artikel 82

1. Het college van burgemeester en wethouders legt de bestuurlijke

boete op bij beschikking.

2. De beschikking vermeldt in ieder geval:

a. de naam van de overtreder;

b. de te betalen geldsom;

c. de overtreding ter zake waarvan zij is gegeven, onder verwijzing naar

het desbetreffende wettelijke voorschrift.

3. Op verzoek van de overtreder die de beschikking wegens zijn

gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt

het college van burgemeester en wethouders er zoveel mogelijk zorg voor

dat de inhoud van de beschikking aan die persoon wordt medegedeeld in

een voor hem begrijpelijke taal.

 

Artikel 83

1. Een bestuurlijke boete wordt betaald binnen zes weken na inwerkingtreding

van de beschikking waarbij deze is opgelegd.

2. De bestuurlijke boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te

rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking

zes weken zijn verstreken.

3. Indien niet is betaald binnen de in het eerste lid genoemde termijn,

wordt degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, schriftelijk

bevolen binnen twee weken alsnog het bedrag van de boete, verhoogd

met de kosten van de aanmaning, te betalen. De aanmaning bevat de

aanzegging dat de bestuurlijke boete, voor zover deze binnen de in de

aanmaning gestelde termijn niet wordt voldaan, wordt ingevorderd

overeenkomstig het vierde lid.

4. Bij gebreke van betaling binnen de in het derde lid genoemde

termijn, kan het college van burgemeester en wethouders de verschuldigde

bestuurlijke boete, verhoogd met de op de aanmaning en invordering

betrekking hebbende kosten, bij dwangbevel invorderen.

5. Het dwangbevel wordt op kosten van degene die de boete

verschuldigd is, bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale

titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke

Rechtsvordering.

6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen

het dwangbevel open door dagvaarding van de gemeente.

7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de president van

de rechtbank in kort geding desgevorderd anders beslist.

8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de

beschikking, bedoeld in artikel 82, niet is ontvangen of dat de bij die

beschikking opgelegde bestuurlijke boete ten onrechte of voor een te

hoge geldsom is vastgesteld.

9. De bevoegdheid tot invordering vervalt na verloop van twee jaar na

de dag waarop de overtreding is geconstateerd.

10. De beslissing om een bestuurlijke boete in te vorderen stuit de

termijn, bedoeld in het negende lid.

 

Artikel 84

Indien een bestuurlijke boete ten onrechte is opgelegd, wordt de

betaalde geldsom, vermeerderd met de wettelijke rente, binnen zes weken

nadat is vastgesteld dat de boete ten onrechte is vastgesteld, aan de

rechthebbende terugbetaald.

 

Artikel 85

1. Indien de ouder die op grond van artikel 20, eerste lid, of de houder,

dan wel degene die een ouder of zijn partner in het kader van tegenwoordige

arbeid een beloning verstrekt op grond van artikel 21, tweede

lid, gehouden is tot het verstrekken van inlichtingen of gegevens, deze

niet dan wel niet binnen de ingevolge de artikel 20, tweede lid, of artikel

21, derde lid, gestelde termijn verstrekt, vormt dit een verzuim ter zake

waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste

€ 2500 kan opleggen.

2. Bij het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste

lid zijn de artikelen 67g, eerste tot en met derde lid, 67i, 67j, 67l, 67m, 67o

en 67p van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige

toepassing, met dien verstande dat voor «belastingplichtige» en «inhoudingsplichtige

» wordt gelezen «degene die gehouden is tot het

verstrekken van inlichtingen of gegevens».

3. Indien het aan opzet of grove schuld van de ouder, de houder, dan

wel degene die een ouder of zijn partner in het kader van tegenwoordige

arbeid een beloning verstrekt te wijten is dat de inlichtingen of gegevens,

bedoeld in artikel 20 of artikel 21, tweede of derde lid, niet, dan wel onjuist

of onvolledig zijn verstrekt, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de

inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5000 kan

opleggen.

4. Bij het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde

lid is Hoofdstuk VIIIA, afdeling 2, paragraaf 1, met uitzondering van de

artikelen 67g, vierde lid, en 67h, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen

van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor

«belastingplichtige» en «inhoudingsplichtige» wordt gelezen «degene die

gehouden is tot het verstrekken van inlichtingen of gegevens».

5. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete op

grond van het eerste lid vervalt vijf jaren na de dag waarop de in dat lid

bedoelde inlichtingen of gegevens verstrekt hadden moeten zijn.

6. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete op

grond van het derde lid vervalt vijf jaren na de dag waarop de in dat lid

bedoelde inlichtingen of gegevens verstrekt hadden moeten zijn onder-

scheidenlijk vijf jaren na de dag waarop de inlichtingen of gegevens

onjuist of onvolledig zijn verstrekt.

 

Artikel 86

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan:

a. aan de ouder die een verplichting gesteld in artikel 33 niet nakomt,

een bestuurlijke boete opleggen met overeenkomstige toepassing van de

artikelen 46 en 47 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;

b. aan de houder die een verplichting gesteld in artikel 33, vierde lid,

niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen met overeenkomstige

toepassing van de artikelen 72, eerste lid, onder b, en tweede tot en met

vierde lid, en de artikelen 73 tot en met 84.

 

 

Hoofdstuk 6. Experimenten

 

Artikel 87

1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een periode van

ten hoogste vier jaar ten behoeve van experimenten, die ten doel hebben

de totstandkoming van innovatieve kinderopvang mogelijk te maken,

vormen van kinderopvang worden aangewezen en kunnen regels worden

gesteld omtrent:

a. de kwaliteit van de aan te wijzen vormen van kinderopvang;

b. het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld onder a;

c. de hoogte van de tegemoetkoming van het Rijk, van de gemeente en

van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

d. de duur van de aan te wijzen vormen van kinderopvang als

experiment.

Bij die regels kan worden afgeweken van artikel 1, eerste lid, onder c en

e, artikel 7, hoofdstuk 3, met uitzondering van artikel 48, alsmede van

hoofdstuk 4, paragrafen 1 en 2, hoofdstuk 5, paragraaf 2, en van de

artikelen 94, 95 en 96.

2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid heeft een ouder

als bedoeld in de artikelen 6, 22, 29 of 35 aanspraak op een tegemoetkoming

in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang

jegens het Rijk, jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen, indien het betreft een experimentele vorm van

kinderopvang, welke is geregistreerd.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als

bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot

een structurele regeling is getroffen, doch niet langer dan met een

tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Het eerste en tweede lid zijn van

overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 88

1. Onze Minister zendt na overleg met Onze Minister van Financiėn en

Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes

maanden voor de beėindiging van een experiment, als bedoeld in artikel

87, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede

een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling,

anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.

2. Indien een experiment als bedoeld in artikel 87, eerder wordt

beėindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het

eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na

overleg met Onze Minister van Financiėn en Onze Minister van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee

maanden na de beėindiging van dat experiment een verslag over de

doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de

voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment,

aan de beide kamers der Staten-Generaal.

 

Artikel 89

Een voordracht voor een krachtens dit hoofdstuk vast te stellen

algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier

weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is

overgelegd.

 

 

Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen

 

Paragraaf 1. Overgangsbepalingen

Artikel 90

1. Het college van burgemeester en wethouders neemt in het register,

bedoeld in artikel 46, de kindercentra en gastouderbureaus op die op het

tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijkens een door de betrokken

gemeente verstrekte verklaring of vergunning voldoen aan de krachtens

de Welzijnswet 1994 gestelde eisen met betrekking tot de kwaliteit. Artikel

46 is van toepassing.

2. Een houder van een kindercentrum of gastouderbureau als bedoeld

in het eerste lid verstrekt desgevraagd aan het college de gegevens,

bedoeld in artikel 45, tweede lid. Hoofdstuk 5 is van overeenkomstige

toepassing.

3. Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet

werkzaam zijn bij een kindercentrum of bij een gastouderbureau dan wel

gastouders die op dat tijdstip gastouderopvang bieden door tussenkomst

van een gastouderbureau, leggen aan de houder binnen twee maanden

na de inwerkingtreding een verklaring over als bedoeld in artikel 50,

tweede lid. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt met een

verklaring als bedoeld in artikel 50, tweede lid, gelijkgesteld een verklaring

omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet op de justitiėle documentatie

en op de verklaringen omtrent het gedrag.

 

Artikel 91

De verplichting van artikel 70 geldt voor het eerst over het kalenderjaar

volgend op het kalenderjaar waarop dat artikel in werking is getreden.

 

Artikel 92

De verplichting van artikel 59 geldt voor een houder die op het tijdstip

van inwerkingtreding van deze wet een kindercentrum of een gastouderbureau

exploiteert eerst zes maanden na dat tijdstip.

 

Artikel 93

1. Hoofdstuk 2 en artikel 86 zijn gedurende ten hoogste zes maanden na

het tijdstip van hun inwerkingtreding niet van toepassing op een ouder als

bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h en i, die gebruik maakt van

kinderopvang die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

ten behoeve van die ouder is bekostigd op grond een vóór het tijdstip van

inwerkingtreding van deze wet gesloten schriftelijke overeenkomst als

bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Werkloosheidswet respectievelijk

artikel 22a, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.

2. Op de financiering van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid,

blijven de artikelen 74 van de Werkloosheidswet onderscheidenlijk 22a, 34

tot en met 37, 45 tot en met 47 en 53 van de Wet op de (re)integratie

arbeidsgehandicapten, zoals deze artikelen luidden tot het tijdstip van

inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.

 

Artikel 94

1. Indien de ouder en, indien hij een partner heeft, zijn partner

tegenwoordige arbeid verrichten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder

a of b, heeft de ouder en, indien hij een partner heeft, zijn partner in

aanvulling op de in hoofdstuk 2, paragraaf 2, bedoelde tegemoetkoming

aanspraak op een extra tegemoetkoming van het Rijk gedurende vier jaar

na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

2. De hoogte van de extra tegemoetkoming van het Rijk is bovendien

afhankelijk van:

a. de bijdragen in de kosten van kinderopvang die de ouder en zijn

partner per kind kunnen ontvangen in het kader van het verrichten van

tegenwoordige arbeid, met dien verstande dat die bijdragen slechts in

aanmerking worden genomen, voor zover het totaal ervan een derde deel

van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid, niet te

boven gaat, of

b. de bijdrage in de kosten van kinderopvang die de ouder zonder

partner per kind kan ontvangen in het kader van het verrichten van

tegenwoordige arbeid, met dien verstande dat die bijdrage slechts in

aanmerking wordt genomen, voor zover het totaal ervan een zesde deel

van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid, niet te

boven gaat.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden voor de in het eerste lid

genoemde periode van vier jaar regels gesteld over de duur en de hoogte

van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, voor daarbij aan te

geven inkomensgroepen.

 

Artikel 95

1. De extra tegemoetkoming van het Rijk, bedoeld in artikel 94, wordt

gedurende vier jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet

verhoogd, voor zover de kinderopvang in de maand voorafgaand aan het

tijdstip van inwerkingtreding van deze wet:

a. is bekostigd door de gemeente op grond van de Regeling kinderopvang

en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders, of

b. is bekostigd door de gemeente op grond van een verordening en

door een bijdrage van de ouder of zijn partner, gebaseerd op een door de

gemeente gehanteerde bijdragetabel.

2. Het eerste lid vindt vanaf het moment waarop binnen de in dat lid

genoemde periode van een andere soort kinderopvang gebruikt wordt

gemaakt dan in de maand voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding

van deze wet niet langer toepassing.

3. De verhoging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor een ouder met

een partner tot ten hoogste 30%, en voor de ouder zonder partner tot ten

hoogste 15% van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste

lid.

4. Artikel 94, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 96

Bij toepassing van artikel 94 of 95 zijn de artikelen 7 tot en met 21 van

overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 97

Ten aanzien van voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet

door het Rijk en gemeenten op grond van de Welzijnswet 1994 verleende

subsidies en uitkeringen aan kinderopvang, voorzover dat kinderopvang

betreft waarop deze wet van toepassing is, blijft het bepaalde bij of

krachtens de Welzijnswet 1994, zoals dat laatstelijk voor bedoeld tijdstip

luidde, van toepassing op de financiėle verantwoording, vaststelling en

uitbetaling van die subsidies en uitkeringen.

 

Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving

Artikel 98

De Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande

ouders wordt ingetrokken.

 

Artikel 99

De Welzijnswet 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4, eerste en derde lid, wordt de punt aan het slot vervangen

door: , met uitzondering van de kinderopvang, waarop de Wet kinderopvang

van toepassing is.

B

In artikel 20, eerste lid, wordt na de zinsnede «aangewezen vormen van

kinderopvang» toegevoegd: , anders dan de kinderopvang, waarop de

Wet kinderopvang van toepassing is,.

 

Artikel 100

In de Wet medezeggenschap cliėnten zorginstellingen vervalt in artikel

1, onder b, onder 3°, de zinsnede «buitenschoolse kinderopvang,»

alsmede het woord «, kinderdagverblijven».

 

Artikel 101

De Wet klachtrecht cliėnten zorgsector wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onder b, 1°, onder b, vervallen de woorden «de kinderopvang,

».

B

Aan artikel 1, onder b wordt een onderdeel 3° toegevoegd, luidende:

3°. een kindercentrum als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, en

een gastouderbureau als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de

Wet kinderopvang.

C

Aan artikel 2, zevende lid, wordt na de tweede volzin een volzin

toegevoegd, luidende: In het geval van een zorgaanbieder van een

instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, onder 3°, zendt hij het verslag,

in afwijking van de tweede volzin, aan de toezichthouder, genoemd in

artikel 61 van de Wet kinderopvang.

D

Indien het bij koninklijke boodschap van 23 juli 2002 ingediende

voorstel van wet, houdende wijziging van de Kwaliteitswet

zorginstellingen en de Wet klachtrecht cliėnten zorgsector (kamerstukken

II 2001/02, 28 489) tot wet wordt verheven en in werking is getreden op het

moment dat paragraaf 2 van hoofdstuk 7 van deze wet in werking treedt,

worden in de Wet klachtrecht cliėnten zorgsector in plaats van de

wijziging, genoemd in onderdeel C, de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In artikel 2, negende lid, wordt na de bestaande volzin een tweede

volzin toegevoegd, luidende: In het geval van een zorgaanbieder van een

instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, onder 3°, zendt hij het verslag,

in afwijking van de eerste volzin, aan de toezichthouder, genoemd in

artikel 61 van de Wet kinderopvang.

2. Na artikel 3b wordt een artikel toegevoegd, luidende:

ARTIKEL 3C

1. De artikelen 3, 3a en 3b zijn niet van toepassing ten aanzien van een

instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, onder 3°.

2. Met het toezicht op de naleving van deze wet ten aanzien van een

instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, onder 3°, zijn belast de

ingevolge artikel 61 van de Wet kinderopvang door het college van

burgemeester en wethouders bij besluit aangewezen ambtenaren. Het

bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken 4 en 5 van de Wet kinderopvang

is van overeenkomstige toepassing.

E

Na artikel 4, tweede lid, wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. In afwijking van het tweede lid worden klachten ten aanzien van een

instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, onder 3°, die naar het oordeel

van de klachtencommissie ernstig van aard zijn, door haar gemeld aan de

ingevolge artikel 61 van de Wet kinderopvang met het toezicht op deze

wet belaste ambtenaren.

 

Artikel 102

De Werkloosheidswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 74 vervalt.

B

In artikel 78a, derde lid, vervalt de zinsnede «alsmede op de financiering

van, en de tegemoetkoming in de kosten van, kinderopvang, bedoeld in

artikel 74, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten».

C

Artikel 93, onder j, komt te luiden:

j. de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel

29, eerste lid, van de Wet kinderopvang ten behoeve van de ouder die een

persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h, van die wet, met

uitzondering van hetgeen op grond van artikel 97f ten laste komt van het

Uitvoeringsfonds voor de overheid.

D

In artikel 97b, eerste lid, wordt de puntkomma aan het slot van

onderdeel d vervangen door een punt en vervalt onderdeel e.

E

Artikel 97f, onder n, komt te luiden:

n. de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, bedoeld in

artikel 29, eerste lid, van de Wet kinderopvang ten behoeve van de ouder

die een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h, van die wet.

 

Artikel 103

De Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten wordt als volgt

gewijzigd:

A

Na artikel 22 vervalt § 1a. Kinderopvang met het daarin opgenomen

artikel 22a.

B

In artikel 33, eerste lid, vervalt de zinsnede «met uitzondering van de

financiering van, of tegemoetkoming in de kosten van, kinderopvang als

bedoeld in artikel 22a,».

C

In artikel 34, eerste lid, vervalt de zinsnede «van financiering van, of

tegemoetkoming in de kosten van, kinderopvang als bedoeld in artikel

22a,», en vervalt na «indien de voorzieningen» de zinsnede «de financiering

van, of tegemoetkoming in de kosten van, kinderopvang,».

D

In artikel 35, eerste lid, vervalt de zinsnede «de financiering van, of de

tegemoetkoming in de kosten van, kinderopvang, bedoeld in artikel 22a,».

E

In artikel 36, eerste lid, onder a, vervalt de zinsnede «en de financiering

van, of tegemoetkoming in de kosten van, kinderopvang, bedoeld in

artikel 22a».

F

In artikel 37, onder a, vervalt de zinsnede «en de financiering van, of

tegemoetkoming in de kosten van, kinderopvang, bedoeld in artikel 22a».

G

In artikel 43, eerste lid, onder b, wordt de zinsnede «en financiering van,

of tegemoetkoming in de kosten van, kinderopvang, bedoeld in artikel

22a» vervangen door: en tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang

als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet kinderopvang ten behoeve

van de ouder die een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder i,

van die wet.

H

In artikel 53 wordt «op grond van artikel 22, 22a en 31» vervangen door:

op grond van de artikelen 22 en 31.

 

Artikel 104

Artikel 6, eerste lid, onder o, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering

komt te luiden:

o. de tegemoetkomingen die op grond van de artikelen 6, eerste lid, 22,

eerste lid, of 29, eerste lid, van de Wet kinderopvang worden verstrekt in

de kosten van kinderopvang;.

 

Artikel 105

In de Kaderwet SZW-subsidies wordt in artikel 2, onder vervanging van

de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel

toegevoegd, luidende:

g. kinderopvangbeleid.

 

Artikel 106

In artikel 37, onder b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk

en inkomen wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

4°. het toezicht op de rechtmatigheid en doeltreffendheid van de

uitvoering van de taken, opgedragen aan het college van burgemeester en

wethouders bij of krachtens hoofdstuk 3 en hoofdstuk 6 van de Wet

kinderopvang;.

 

Artikel 107

In artikel 1, onder 2°, van de Wet op de economische delicten wordt in

de alfabetische rangschikking ingevoegd: de Wet kinderopvang, de

artikelen 45 en 66;.

 

Artikel 108

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 18 december 2001

ingediende voorstel van wet, houdende regeling van de aanspraak op, de

toegang tot en de bekostiging van jeugdzorg (Wet op de jeugdzorg;

kamerstukken II 2001/02, 28 168) tot wet wordt verheven en in werking is

getreden, wordt in artikel 1, eerste lid, onder i, onder 2°, «Wet op de

jeugdhulpverlening» vervangen door: Wet op de jeugdzorg.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 18 december 2001

ingediende voorstel van wet, houdende regeling van de aanspraak op, de

toegang tot en de bekostiging van jeugdzorg (Wet op de jeugdzorg;

kamerstukken II 2001/02, 28 168) tot wet wordt verheven en in werking is

getreden, wordt in artikel 1, tweede lid, onder c, «Wet op de jeugdhulpverlening

» vervangen door: Wet op de jeugdzorg.

 

Artikel 109

Aan de bijlage, bedoeld in artikel 20, van de Wet bestuursrechtspraak

bedrijfsorganisatie, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van

onderdeel 15 door een puntkomma, een nieuw onderdeel 16 toegevoegd,

luidende:

16. Artikel 72, eerste lid, van de Wet kinderopvang.

 

Artikel 110

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.7a, eerste lid, wordt «de artikelen 3.141, 8.11, 8.14 en 8.16»

vervangen door: de artikelen 8.11, 8.14 en 8.16.

B

De laatste volzin van artikel 2.5, derde lid, komt te luiden: De vorige

volzin is niet van toepassing met betrekking tot negatieve bedragen uit

kalenderjaren van binnenlandse belastingplicht en de persoonsgebonden

aftrek als bedoeld in hoofdstuk 6.

C

In artikel 2.17, vijfde lid, vervalt onderdeel b, onder verlettering van de

onderdelen c en d tot respectievelijk b en c.

D

Artikel 3.1, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel i vervalt, onder verlettering van onderdeel j tot onderdeel

i.

b. Aan het slot van onderdeel h wordt de puntkomma vervangen door:

en.

E

Artikel 3.104 wordt als volgt gewijzigd:

a. Na onderdeel f wordt, onder verlettering van de onderdelen g tot en

met i tot respectievelijk h tot en met j, een onderdeel ingevoegd, luidende:

g. tegemoetkomingen op grond van de Wet kinderopvang;.

b. In het tot onderdeel j verletterde onderdeel i wordt «onderdelen a tot

en met h» vervangen door: onderdelen a tot en met i.

F

Afdeling 3.10, met de artikelen 3.140 tot en met 3.143, vervalt.

G

In artikel 3 147 wordt de zinsnede «Aftrekbare kosten, uitgaven voor

inkomensvoorzieningen en uitgaven voor kinderopvang» vervangen door:

Aftrekbare kosten en uitgaven voor inkomensvoorzieningen.

H

In artikel 5.6, eerste lid, tweede volzin, vervalt de zinsnede «de uitgaven

voor kinderopvang en».

I

In artikel 6.28, tweede lid, wordt de zinsnede «als bedoeld in artikel

3.104, onderdelen d, e en g, onder 3°» vervangen door: als bedoeld in

artikel 3.104, onderdelen d, e en h, onder 3°.

J

In artikel 7.2, tweede lid, vervalt, onder vervanging van «en» aan het

slot van onderdeel h door een punt, onderdeel i.

K

In artikel 9.3, eerste lid, vervalt onderdeel d, onder verlettering van de

onderdelen e en f tot respectievelijk d en e.

L

In artikel 10.1 wordt «3.129, 3.141, 3.143» vervangen door: 3.129.

 

Artikel 111

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 16, eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

d. kinderopvang: kinderopvang waarvoor aanspraak op een tegemoetkoming

kan ontstaan op de voet van artikel 5, eerste lid, van de Wet

kinderopvang.

B

Artikel 16c komt te luiden:

Artikel 16c

1. Vergoedingen ter zake van kosten van kinderopvang gelden als vrije

vergoeding voorzover die vergoedingen niet meer bedragen dan een

zesde deel van de aan de werknemer of zijn partner in rekening gebrachte

kosten.

2. Ten aanzien van de werknemer die geen partner heeft, of een partner

heeft die geen vergoeding ter zake van kosten van kinderopvang van een

inhoudingsplichtige ontvangt, wordt het in het eerste lid bedoelde deel

van de aan de werknemer of zijn partner in rekening gebrachte kosten,

verhoogd tot een derde deel.

3. Ten aanzien van de werknemer met een partner die een vergoeding

ter zake van kosten van kinderopvang van een inhoudingsplichtige

ontvangt welke minder bedraagt dan een zesde deel van de aan de

werknemer of zijn partner in rekening gebrachte kosten, wordt het in het

eerste lid bedoelde deel verhoogd tot een derde deel en verminderd met

de vergoeding van de partner.

4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder partner verstaan

hetgeen daaronder in artikel 2 van de Wet kinderopvang wordt verstaan.

5. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een vergoeding ter zake

van kosten van kinderopvang van een inhoudingsplichtige gelijkgesteld:

a. een tegemoetkoming van een gemeente op grond van artikel 24 van

de Wet kinderopvang;

b. een tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

op grond van artikel 30 van de Wet kinderopvang.

6. Bij ministeriėle regeling worden nadere regels gesteld voor de

toepassing van dit artikel.

 

Artikel 112

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de

volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, vervalt onderdeel e.

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid vervalt onderdeel e.

b. In het tweede lid wordt «De afdrachtvermindering lage lonen, de

afdrachtvermindering kinderopvang» vervangen door: De afdrachtvermindering

lage lonen.

C

In artikel 5 vervalt het derde lid.

D

Hoofdstuk VI, met de artikelen 16 en 16a, vervalt.

 

Paragraaf 3. Slotbepalingen

Artikel 113

1. Onze Minister van Financiėn, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

het college en burgemeester en wethouders en de

gemeenteraad verstrekken aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor

de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met

betrekking tot deze wet nodig heeft.

2. Onze Minister stelt regels omtrent de aard van de inlichtingen,

bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze worden verstrekt.

3. De inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos verstrekt.

 

Artikel 114

De voordracht voor een krachtens artikel 7, derde, vierde, zesde en

zevende lid, 18, 94, derde lid, 95, vierde lid en 96, vast te stellen algemene

maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het

ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

 

Artikel 115

1. Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiėn en

Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gedurende drie jaar

na de inwerkingtreding van deze wet jaarlijks aan de Staten-Generaal een

verslag uit over de werking ervan.

2. Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiėn en

Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport drie jaar na de

inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na drie jaar, aan de

Staten-Generaal een verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten

van deze wet in de praktijk.

 

Artikel 116

1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen

tijdstip, dat voor de verschillende paragrafen, artikelen of onderdelen

daarvan verschillend kan worden gesteld. In afwijking van de eerste volzin

treedt artikel 7, tweede en derde lid, in werking met ingang van 1 januari

2009.

2. De artikelen 1, onder b, 3°, 2, zevende lid, derde volzin, 2, negende

lid, tweede volzin, 3c en 4, derde lid, van de Wet klachtrecht cliėnten

zorgsector vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

 

Artikel 117

Deze wet wordt aangehaald als: Wet kinderopvang.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en

dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks

aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Tavarnelle, 9 juli 2004

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

 

De Staatssecretaris van Financiėn,

J. G. Wijn

 

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

C. I. J. M. Ross-van Dorp

 

Uitgegeven de eenentwintigste september 2004

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

 

’s-Gravenhage 2004 Staatsblad 2004 455 37

 

 

Wet kinderopvang
Regeling Wet kinderopvang